MET PSALMEN DE CRISIS DOOR

Ds. Fokko F. Omta


Natuur en Geest (Schepping en Inspiratie) – Psalm 104

Alle uw schepselen wachten op U
dat u hun spijze geeft te rechter tijd.
Geeft u het, dan doen zij zich te goed,
opent zich uw hand, zij worden verzadigd.
Verberg uw gelaat, en zij bezwijken van
angst, ontneem hun de adem en het is
met hen gedaan, dan keren zij terug
tot het stof dat zij waren.
Zend uw adem en zij worden geschapen,
zo geeft u de aarde een nieuw gelaat.(27-30)

Deze psalm is wel gerekend tot de zogenaamde “natuur-psalmen”. Dat blijkt dan vooral in het eerdere deel (-26). God wordt er beschreven als een kind dat opgaat in zijn spel met legoblokjes, waarmee het alle mogelijke dingen maakt, bouwt, creëert, in elkaar knutselt. En dat niet alleen. Vervolgens gaat het er ook mee spelen en bestuurt alles zó, dat het goed blijft werken en functioneren. Dus plaatst God een bron aan het begin van een beek, want hoe moet die beek anders aan water komen (10). Hij zaait gras als voedsel voor het vee, en druiven en graan voor de mens om ervan te eten en drinken en hun hart aan op te halen (14v). Je hoort God bij wijze van spreken “wroem, wroem”- geluiden maken gelijk een kind dat met autootjes speelt. Het resultaat is dat het onderscheid tussen het kind én wat het van zijn legoblokjes gemaakt heeft, wegvalt. Het kind, zijn lego-creaties en wat hij er mee doet in zijn spel smelten samen tot een holistisch, harmonieus geheel, waarin zelfs een afschuwelijk monsterdier als de Leviathan een (griezel)rol mag spelen (26).

De aanduiding “natuur-psalm” heeft vanaf de jaren 70 tot heel wat theologisch gekibbel aanleiding gegeven, wat ik nooit goed heb begrepen. Voor sommigen was ‘natuur” een ietwat verdacht begrip, je moest volgens hen spreken van “schepping” om aan te geven dat je “natuur” nooit neutraal, nooit los van de (verbonds)relatie, de betrekking tot God moet zien. Daar hadden ze, denk ik, wel een punt. Maar tegelijk moest je God ook altijd van de natuur, die hij geschapen heeft, gescheiden houden: als schepper staat hij vrij en soeverein tegenover wat hij gemaakt heeft. OK. Alleen: wat blijft er dan nog over van dat intens in zijn spel betrokken en spelende kind? Als ik het begin van psalm 104 lees, proef ik weinig verschil tussen natuur of schepping. Want van alles wat we in de natuurlijke werkelijkheid aantreffen, wordt eenvoudig bezongen dat God het heeft gemaakt, bepaald en bedoeld. Dus zorgt de maan voor de tijden, en de zon voor het licht. Leeuwen gaan uit op roof en brullend vragen zij God om voedsel. God of natuur, weinig verschil: ze lijken elkaar geheel te overlappen.

Ook in de boven geciteerde verzen lijkt er eerst weinig onderscheid te zijn tussen schepping en Schepper, geen verschil tussen het natuurlijk verloop der dingen en God die daarvoor zorgt. Er komt pas verschil als we in plaats van ‘alle uw schepselen” lezen: alle uw mensen. Want de (planten en) dieren, die functioneren wel volgens de in hen gelegde wet, zij luisteren zonder mankeren naar hun instinkt. Maar hoe zit dat met mij als mens? Als mens heb ik nog iets extra’s nodig, maar wat is dat?
Er is sprake van “spijze” die mij vanuit de open hand van God wordt gegeven. Of van Gods “gelaat” dat naar mij toegewend moet zijn, anders wordt mij de “adem” ontnomen en verval ik tot “stof”.
Daarom: zend uw adem, want dan pas worden wij geschapen. Aan mij als mens moet kennelijk nog ‘iets’ gegeven worden, om werkelijk mens te zijn: adem of geest van God. Alles draait om de vraag of God ademt in mensen? Dat is aldus Oosterhuis (in 150 Psalmen) niet vanzelfsprekend:

Ademt jouw adem in mensen?                                          Wie gaat dit aanschijn van de aarde
In al die levende dode gewapenden,                                vernieuwen?
op oorlog uit, bang, bedroefd, boos, onbereikbaar,      Jij die ik vriend en vreemdeling noem …?
op vrede uit, maar wie kent de weg van de vrede?        Ja jij, met mij samen.

 

Iets van God in de mens, dan denk ik aan de Heilige Geest: hij is geen verre God gebleven. Mijn wens: dat door de goede Geest van Pinksteren het aanschijn van ons leven zich vernieuwt. Hgr. f.f.o.

Hart.groet,  ds. Fokko F. Omta
(f.omta@protestantsekerk.nl)


Jezus zegt: De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.

Lc 10:1-9

Beleidsplan 2019 – 2025

Met twee bijlagen:
bijlage 1. financiën, personeel en gebouwen
bijlage 2. verwerking van de opmerkingen van gemeenteleden op het concept beleidsplan
Lees verder >