Het beroepen van een predikant vanuit het perspectief van de gemeente, de kerkenraad en de predikant. ‘Het beroepen van een predikant vergt allereerst een opengaan voor de Geest van Christus’.

In het voorjaar verscheen in deze reeks een artikel over ‘De classis en het beroepen van een predikant’ . Daarin werd een nieuwe taak belicht van het breed moderamen van de classicale vergadering: het vooraf toestemming verlenen aan een gemeente om met het beroepingswerk te mogen beginnen. In dit artikel leest u het beloofde vervolg daarop, nu vanuit het perspectief van de gemeente, de kerkenraad en de predikant.

Roeping van Christuswege

We vallen met de deur in huis, met het (Romeinse) artikel V-4: ‘De roeping tot het ambt geschiedt van Christuswege, plaatselijk door de gemeente en overigens bij monde van de daartoe bevoegde vergaderingen’. 

Deze regel geldt voor alle drie ambten in onze kerk, ouderling (-kerkrentmeester), diaken en predikant. Hiermee zet de kerkorde bij het ambt hoog in. Het ambt is aan de kerk gegeven door Christus als Hoofd van zijn levend lichaam op aarde. Het is een gave van zijn Geest met als doel ‘de gemeente te bepalen bij het heil en bij haar roeping in de wereld’ (art. V-1). Het is niet in de eerste plaats een slimme uitvinding van mensen en of een beproefd organisatieprincipe. Dat is het misschien ook, maar met de ‘ogen van het hart’ gezien is het voor alles: geschenk uit de hemel, genadegave, ‘charisma’.

Volgens datzelfde lid 1 is het ‘openbare ambt van Woord en Sacrament’ aan de gemeente gegeven. De kerntaak van het ambt is om in het openbaar, – midden in het leven van mensen, hier en nu, – de gemeente samen te brengen rond Woord en Sacrament. Hierin klopt het hart van de gemeente: dat mensen het Woord van God horen en bewaren in hun hart en leven. Dat zij aan den lijve ervaren dat God hen liefheeft als zijn kinderen en hen nodigt tot de tafelgemeenschap die Jezus Christus met zijn leven van liefde en dienst in deze wereld heeft gesticht.

We herkennen hierin gemakkelijk de predikant die voorgaat in de bediening van het Woord en de sacramenten. Daarin wordt de gemeente bij uitstek bepaald bij het heil in Jezus Christus en haar roeping om de weg te gaan van de Liefde. Maar dat ook ouderlingen en diakenen daartoe geroepen zijn, gaat dat niet wat ver? Wordt hiermee niet de beruchte hoge drempel opgeworpen die ons doet aarzelen om ja te zeggen tegen het ambt?

Opengaan voor de Geest

Hoe dit laatste ook zij, vanuit dit uitgangspunt vergt het beroepen van een predikant allereerst een opengaan voor de Geest van Christus. Wat vraagt de Heer van ons als zijn gemeente in onze concrete gemeenschap van mensen die zoeken naar zin en samenhang in hun leven. Wat is als gemeente onze roeping in de komende jaren? Met dit gebed tot de Geest, begint in de gemeente het beroepingswerk. En van de kerkenraad wordt verwacht ‘om met het oog op de verkiezing de gemeente te herinneren aan de plaats en het werk van het ambt in de gemeente van de Heer’ (Ord. 3-1-3).

Strategische keuze

De predikant is het gezicht van de gemeente. Hij of zij gaat ons voor in het belichamen van de roeping van de gemeente. Dat doet de predikant als voorganger, samen met de andere ambten en diensten, de kerkenraad en de kerkelijk werkers. De keuze van een predikant is dus ook van strategisch belang voor de gemeente. De roepingen van gemeente en predikant moeten bij elkaar passen. Zij moeten elkaar kunnen herkennen en aanspreken op de gemeenschappelijke uitdaging die voor hen ligt. Ook de predikant moet zich van Christuswege geroepen weten om daaraan gedurende vier jaar of langer bij te dragen en leiding te geven. Er moet een match zijn tussen gemeente en predikant. Een zorgvuldig opgestelde profielschets van de gemeente en de te beroepen predikant is hiervoor het geëigende instrument.

De voorbereiding van de verkiezing (Ord. 3-3)

De kerkorde besteedt daarom veel aandacht aan de voorbereiding van het beroepingswerk (Ord. 3-3). De kerkenraad neemt daarin het voortouw.

Allereerst verzekert de kerkenraad zich van de medewerking van de kerk in haar geheel. Een predikant wordt niet alleen aan de plaatselijke gemeente verbonden, maar is ook predikant van de kerk (in haar geheel). Zo is er toestemming nodig van het breed moderamen van de classicale vergadering voor het mogen beginnen met het beroepingswerk, een verklaring van het classicale college voor de behandeling van beheerszaken dat de gemeente de predikant een aantal jaren kan betalen, en een advies van het mobiliteitsbureau van de landelijke kerk heeft een wijkkerkenraad ook de instemming nodig van de algemene kerkenraad. Ter begeleiding van het beroepingswerk wordt een predikant uit een andere (wijk)gemeente aangesteld als consulent. In evangelisch-lutherse gemeenten kan ook de president van de evangelisch-lutherse synode hiertoe worden geroepen.

Nu begint het proces in de gemeente zelf met de vorming van een beroepingscommissie uit leden van de kerkenraad en in de regel ook  een aantal gemeenteleden. In de regelwant er zijn gemeenten die hechten aan de traditie dat de leiding van de gemeente uitsluitend berust bij de ambten. Maar in alle gevallen worden de gemeenteleden betrokken bij de voorbereiding van het beroepingswerk. De verkiezing van een predikant geschiedt immers door de gemeente. Daarom worden de gemeenteleden door de kerkenraad uitgenodigd om schriftelijk en ondertekend aanbevelingen in te dienen van personen die naar hun mening voor verkiezing in aanmerking komen. Vaak worden ook de profielschetsen van gemeente en predikant door de kerkenraad met de gemeente gedeeld en besproken.

De verkiezing (ord. 3-4)

Dan kan de beroepingscommissie aan het werk met haar zoektocht naar een geschikte en beroepbare kandidaat. In principe zijn alle predikanten voor gewone werkzaamheden beroepbaar die langer dan vier jaar achtereen een gemeente hebben gediend. Ook proponenten (die de opleiding tot predikant hebben voltooid en zijn toegelaten tot de ambtsbediening) die beroepbaar zijn gesteld, kunnen worden beroepen. Daarnaast kunnen dienstdoende predikanten met een bijzondere opdracht of in algemene dienst dan wel ontheven predikanten die beroepbaar zijn gebleven, voor een beroep in aanmerking komen.

De werkwijze van een beroepingscommissie is niet in de kerkorde geregeld. De kerkenraad kan hiervoor zelf aanwijzingen geven. In de landelijke Gids voor het beroepingswerk die op de website te vinden is, worden beproefde richtlijnen daarvoor gegeven. Meestal wordt er gewerkt met een – al of niet door de kerkenraad vastgestelde – groslijst met namen van mogelijk geschikte kandidaten die vanuit de gemeente en door het mobiliteitsbureau zijn aangedragen of die de commissie zelf heeft verzameld, eventueel via een sollicitatieprocedure. Daaruit wordt een aantal personen geselecteerd met wie gesprekken worden gevoerd en van wie een kerkdienst door de commissie wordt bezocht.

Uiteindelijk maakt de commissie een keuze en stelt een voordracht vast bestaande uit één of meer kandida(a)t(en). Soms is over dat aantal vooraf een afspraak met de kerkenraad gemaakt. Soms is het afweging van de commissie zelf. De commissie levert haar voordracht in bij de kerkenraad, die vervolgens beslist of de voordracht al of niet wordt overgenomen. Een wijkkerkenraad beslist over deze kandidaatstelling in overleg met de algemene kerkenraad.

Een gulden regel hierbij is dat het werk van de beroepingscommissie vertrouwelijk van aard is en ook blijft. De kerkenraad als opdrachtgever van de commissie wordt tijdens het selectieproces door de commissie marginaal op de hoogte gehouden.

Na de kandidaatstelling wordt een vergadering van stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente belegd, waarin de voordracht wordt gepresenteerd en de verkiezing plaatsvindt. De kandidaat die de meeste en de volstrekte meerderheid van de stemmen krijgt, is verkozen (ord. 4-5). Bij een enkelvoudige voordracht is een meerderheid van tweederde vereist (ord. 3-4-7). Soms kan er in een (wijk)gemeente met meer dan 200 stemgerechtigden reden zijn om in de verkiezingsregeling vast te leggen dat een predikant door de (wijk)kerkenraad wordt verkozen. Hiervoor moet vooraf toestemming worden verleend door het breed moderamen van de classicale vergadering.

Vervolgens maakt de kerkenraad de naam van de verkozene bekend aan de gemeente teneinde haar goedkeuring te ontvangen om deze te mogen beroepen. Bezwaren tegen de gevolgde procedure kunnen binnen vijf dagen na de bekendmaking door de stemgerechtigde leden schriftelijk en ondertekend worden ingebracht bij de kerkenraad. De kerkenraad zendt dit bezwaarschrift binnen veertien dagen door aan het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Dat laat onverlet dat de kerkenraad de verantwoordelijkheid heeft om zelf het bezwaar uit de wereld te helpen. Het college oordeelt over het ingediende bezwaar. Hiertegen kan geen beroep kan worden aangetekend. Het is een eindbeslissing. De rechtmatigheid van de verkiezing tot het ambt mag niet te lang boven de markt zweven.

Beroeping, approbatie en bevestiging of verbintenis (ord. 3-5)

Hierna brengt de (wijk)kerkenraad het beroep uit aan de verkozen kandidaat. Dit gebeurt met een beroepsbrief en bijbehorend aanhangsel waarin de taakafspraken en (financiële) verplichtingen tussen predikant en gemeente over en weer worden beschreven.

De beroepene deelt binnen drie weken na overhandiging van de beroepsbrief schriftelijk aan de kerkenraad mee of hij of zij het beroep aanvaardt.  Daarna wordt in overleg een datum bepaald voor de bevestiging (bij proponenten) of verbintenis en intrede van de predikant. Vanaf die datum is de predikant formeel verbonden aan de gemeente.

De bevestiging of verbintenis vindt plaats nadat het breed moderamen van de classicale vergadering ‘approbatie’ heeft verleend, ofwel:  getoetst heeft of aan alle kerkordelijke voorwaarden is voldaan.

Binnen deze kaders moet het volgens de kerkorde mogelijk zijn dat een gemeente een predikant vindt die de roeping van de gemeente herkent als zijn of haar roeping en daaraan van harte gehoor wil en kan geven. Dan kunnen beide partijen tijdens de dienst van bevestiging of verbintenis van harte belijden en vieren dat in de verkiezing van deze predikant door deze gemeente ook de roepstem van de Geest hoorbaar is.

Perspectief

Afgezien van de toestemming voor de start van het beroepingswerk van het breed moderamen, heeft Kerk 2025 niet geleid tot wijziging van deze kerkordelijke kaders.

Wel heeft Kerk 2025 in het kader van de mobiliteit aandacht gegeven aan situaties waarbij gemeente en predikant in de loop van de tijd ontdekken dat zij niet (meer) bij elkaar passen en elkaars roeping niet meer herkennen. De synode heeft nagedacht over een manier waarop gemeente en predikant dan in vrede (met wederzijds goedvinden) uit elkaar kunnen gaan en over de voorwaarden die daarbij assen. In principe heeft de synode in ord. 3-16-5 een kerkordelijke regeling aanvaard waarbij een predikant en een gemeente, die na 12 jaar verbintenis op elkaar zijn uitgekeken, in vrede uit elkaar kunnen gaan. Deze zogenaamde 12-jaarsregeling is echter nog niet in werking getreden. De synode beslist hierover nader in april 2020 op basis van een onderzoek door de classispredikanten.


Ds. Lieuwe Giethoorn

projectleider Kerk 2025

bron: protestantsekerk.nl

Jezus zegt: De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.

Lc 10:1-9

Beleidsplan 2019 – 2025

Met twee bijlagen:
bijlage 1. financiën, personeel en gebouwen
bijlage 2. verwerking van de opmerkingen van gemeenteleden op het concept beleidsplan
Lees verder >