COLUMN

Gerrit Oud

Zij dacht dat het de hovenier was. Joh. 20: 15

Eén Rembrandt kende als kind ik goed:
de Christus met de grote hoed
wandelend in de ochtendstond.
En, naar erbij geschreven stond:
Hij was een hovenier.

En nòg laat ik mijn tranen gaan
als in de gaarde ik Hem zie staan,
en – wat terzijde – in stille schrik
die éne, zij die dacht als ik:
Het was de hovenier.

O kinderdroom van groen en goud –
géén die ontnam wat ik behoud.
De laatste hoven naderen schier
en ijler wordt de ochtend hier.

Hij is de hovenier.

Ida Gerhardt (1905 – 1997), Uit: De hovenier (1961) Opgenomen in Verzamelde gedichten, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 1985

Het schilderij waar Gerhardt over dicht, is van Rembrandt. Die riep Maria’s misvatting op door Jezus met een grote hoed van stro weer te geven en een schop in zijn hand. De vermelding van de kleuren, ‘groen en goud’, in de derde strofe laat zien dat het niet om Rembrandts – ook bekende – pentekening gaat van deze scène, maar echt om het schilderij uit 1638.

Gerhardts identificatie met Maria Magdalena mag dan echt zijn, zij mag nog steeds ontroerd raken als een klein meisje als ze de voorstelling voor haar ogen oproept, de details zijn geenszins accuraat. Zo luidt de titel ‘De verrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena,’ is Jezus niet afgebeeld als ‘wandelaar’ en staat Maria helemaal niet ‘wat terzijde.’ Maar misschien heeft Gerhardt de beschrijving van het schilderij wel aangepast aan wat zij met haar gedicht wilde vertellen.

Maria’s ‘wat terzijde’ positie is precies zoals Gerhardt zich altijd gevoeld heeft. In haar ouderlijk gezin, in haar functie van docente klassieke talen, als dichteres. En altijd was daar, ook in haar gedichten, haar geestelijke vader J.H.Leopold die haar de liefde voor de klassieke oudheid en voor het dichten had bijgebracht, de man naar wie zij opkeek.

Zorgvuldig heeft Gerhardt in haar gedicht de kern van het verhaal van de ontmoeting in de hof vermeden. Aan Rembrandts Maria is te zien, dat Jezus haar net heeft aangesproken met haar naam. Het noemen van de naam, dat je als mens je gekend weet, is een motief dat Gerhardt in meer van haar gedichten heeft verwerkt. Het katern in de bundel De hovenier waar dit gedicht mee afsluit, draagt zelfs als titel ‘De naam.’ De volle klemtoon die in het laatste vers van het gedicht komt te liggen op het woord ‘is’, toont dan ook haar grote vertrouwen op haar Heer: eenmaal zal Hij haar naam noemen en zal zij wandelen in zijn hof. Hij was, is en zal zijn: de Hovenier.

Gerrit Oud, Amsterdam, 6 april 2018


De verrezen Christus verschijnt aan Maria Magdalena
Rembrandt van Rijn, 1638
olieverf op doek, 61 x 50 cm
Royal Collection, Buckingham Palace, Londen

Rembrandt situeert Maria Magdalena en Jezus dichtbij de opening van het graf, in nauwe aansluiting bij Johannes’ verslag van de gebeurtenissen op deze morgen der morgens. Maria Magdalena is alleen bij het graf achtergebleven, nadat Petrus en Johannes weer naar Jeruzalem zijn teruggegaan. Zij meent dat het lichaam van Jezus ergens anders moet zijn neergelegd, maar waar? Ze buigt zich huilend naar het graf en ziet twee engelen zitten. ‘Waarom huil je?’ vragen ze haar. ‘Ik weet niet waar ze mijn Heer naartoe gebracht hebben.’ Dan kijkt ze om en ziet een man staan, die ze voor de tuinman houdt.

Dit is het moment dat op het schilderij is afgebeeld. Maria Magdalena kijkt op met een naar binnen gekeerde blik. ‘Kyrie,’ ‘meneer,’ zegt ze in het Grieks, ‘als u hem ergens anders hebt neergelegd, vertel me dan waar.’ Dan noemt Jezus haar bij haar naam: ‘Maria!’ We zien de herkenning op haar gezicht doorbreken, vermengd met ‘maar dit kan toch niet waar zijn!’ ‘Rabboeni!,’ roept ze uit, ‘Meester!’ in haar eigen vertrouwde Aramese taal. Ze noemt hem ‘meester/leraar,’ want ze is inderdaad een van zijn leerlingen, een van de vrouwen die met Jezus optrokken en hem en de discipelen met hun geld en zorg ondersteunden. Jezus vraagt haar vervolgens hem niet aan te raken en geeft haar opdracht om de discipelen te gaan vertellen dat hij zal opstijgen naar de Vader. Hierom gaven de kerkvaders Maria Magdalena de eretitel ‘apostel der apostelen.’ Ze was de eerste die het goede nieuws van de opstanding verkondigde. Ze was bovendien de eerste die de opgestane Heer heeft aanschouwd. Een vrouw!

In de kunstgeschiedenis wordt het hier uitgebeelde thema ook vaak ‘Noli me tangere’ genoemd, ‘raak me niet aan.’ Op werken met dit thema zien we Jezus, uitgebeeld als verheerlijkte opgestane Heer, dan ook gewoonlijk terugdeinzen, terwijl Maria Magdalena haar handen naar hem uitstrekt. Hier kijkt hij haar eerder rustig en aandachtig aan, bang om haar al te veel aan het schrikken te maken. Er valt een prachtig licht op haar gelaat. Dit licht komt niet vanuit Jezus, want ook Jezus wordt van links aangelicht. Het is het licht van de opkomende zon, het krachtige licht van de nieuwe morgen.

Jezus zei tot zijn leerlingen: Geloof in het licht, dan bent u kinderen van het licht.

Joh 12:35-36

Geef ruimhartig aan Kerkbalans!

Actie Kerkbalans 2019 is gestart.
Er gebeurt veel moois in de kerk. Waardevolle gesprekken, inspirerende diensten en uiteenlopende activiteiten. Lees verder >