In de rubriek ‘Kerkorde op weg naar 2025’ bespreekt ds. Lieuwe Giethoorn de vernieuwingen in de kerkorde sinds mei 2018. Deze keer gaat het over een nieuwe taak voor de classis: de bevoegdheid om vooraf toestemming te geven aan vacante gemeenten die met het beroepingswerk willen beginnen.

Laatst bezocht ik een vergadering van het breed moderamen van één van de elf nieuwe classicale vergaderingen. Een vast punt op de agenda was gewijd aan het beroepingswerk in de gemeenten. Sinds 1 mei 2018 heeft het breed moderamen er namelijk een nieuwe taak bij gekregen. Dat is eigenlijk wonderlijk, want Kerk 2025 wilde nu juist meer ruimte voor gemeenten en minder bemoeienis van de classis. Toch koos de kerk onlangs voor invoering van een nieuwe taak van de classis in het beroepingswerk. Wat is hier aan de hand?

Predikantschap staat onder druk
In het project Kerk 2025 was ‘mobiliteit’ (van predikanten) een hoofdthema. In het rapport ‘Waar een Woord is, is een weg’ (2015, p. 25 e.v.) is geconstateerd dat in onze tijd veel verandert in de manier waarop de roeping van de predikant – als ambt voor het leven – in onze kerk gestalte krijgt. Lang niet elke gemeente heeft tegenwoordig nog een ‘eigen’ dominee. In 2025 zal dat nog vaker het geval zijn. Bovendien is de cultuur waarin de predikant een vaste rol en plaats had, bezig te veranderen. Er worden nieuwe eisen gesteld aan het predikantschap. De traditionele rol van herder en leraar verschuift naar die van apostel. Het gesprek met tijdgenoten over de relevantie van het evangelie wordt steeds belangrijker. Van predikanten wordt verwacht dat zij de gemeente daarin met elan, visie en kennis van zaken voorgaan. Niets minder dan geestelijk leiderschap wordt van hen gevraagd.

Predikanten kunnen zich daardoor onzeker gaan voelen. Zijn zij wel voldoende toegerust voor deze nieuwe uitdagingen? Waar halen zij zelf de inspiratie vandaan om gemotiveerd hun rol met vrucht te blijven vervullen? Bovendien komt door de krimp van de kerk hun positie steeds meer onder druk te staan. Is het in de toekomst nog wel mogelijk om het ambt van academisch gevormde predikant als professional of ‘vrijgestelde’ uit te oefenen?

Mobiliteit als succesfactor
Met het predikantschap is gegeven dat men predikant van de kerk is ‘voor het leven’. De rol van de predikant als apostel vraagt om onafhankelijkheid om het evangelie vrank en vrij te verkondigen. Tegelijkertijd is er een binding aan een gemeente. De rol van herder en leraar vraagt om nabijheid en betrokkenheid van de predikant met de gemeenteleden die aan zijn of haar zorg zijn toevertrouwd. Deze binding is in principe tijdelijk. ‘Predikanten komen en gaan, gemeenten blijven’ is een gevleugelde uitspraak in de kerk. Predikanten dienen in hun arbeidzame leven in de regel meerdere gemeenten. Een predikant is tegenwoordig gemiddeld acht jaar aan een gemeente verbonden.

Mobiliteit is volgens Kerk 2025 dan ook een belangrijk aspect van het predikantenbestaan. Het is heilzaam voor predikanten en voor gemeenten. Predikanten krijgen de kans om te groeien in hun ambt en hun competenties te ontwikkelen in verschillende situaties. Gemeenten worden geregeld geestelijk opgeschud en zo uitgedaagd om hun gemeenteleven te vernieuwen en te verrijken. Mobiliteit zorgt voor een aantrekkelijk ambt en een gezond gemeenteleven en voorkomt dat men op elkaar raakt uitgekeken.

Versnippering van werkgelegenheid
Maar dan moeten die kansen voor mobiliteit er wel zijn. En dat is nu juist het zorgpunt in onze krimpende kerk. Want gemeenten worden in omvang en draagkracht kleiner, waardoor de beschikbare predikantsformatie terugloopt. Parttime verbintenissen zijn eerder regel dan uitzondering geworden. In bepaalde regio’s groeit het aantal kleine gemeenten dat niet langer een minimale bezetting van een derde van de volledige werktijd kan aanbieden. Omdat gemeenten meestal zo lang mogelijk zelfstandig willen blijven en het liefste een ‘eigen’ dominee hebben, groeit de versnippering van de werkgelegenheid voor predikanten. Hierdoor kunnen zij minder gemakkelijk verkassen naar een andere predikantsplaats met een vergelijkbare omvang.

“Het beroepingswerk dreigt in onze tijd vast te lopen. Predikanten die willen muteren, blijven noodgedwongen staan waar ze staan. En gemeenten die de input van een nieuwe predikant goed zouden kunnen gebruiken, komen geestelijk tot stilstand.”

Het beroepingswerk dreigt in onze tijd hierdoor vast te lopen. Predikanten die willen muteren, blijven noodgedwongen staan waar ze staan. En gemeenten die de input van een nieuwe predikant goed zouden kunnen gebruiken, komen geestelijk tot stilstand. De zegenrijke werking van de mobiliteit gaat zo teloor. Bovendien brengt deze ontwikkeling met name vacante kleine gemeenten ertoe om een kerkelijk werker aan te trekken omdat predikanten niet beschikbaar zijn en de kerkelijk werker bovendien financieel voordeliger is.

Naar een cultuur van mobiliteit en flexibiliteit
Zo heette het rapport van een werkgroep van de synode die in het voorjaar van 2017 de synode adviseerde tot het nemen van maatregelen die de mobiliteit kunnen bevorderen en de versnippering van werkgelegenheid voor predikanten kunnen tegengaan. Een van die maatregelen was het toekennen aan het breed moderamen van een nieuwe bevoegdheid om vooraf toestemming te geven aan een vacante gemeente die met het beroepingswerk wil beginnen.

In alle gevallen toestemming vereist
Als een vacante gemeente met het beroepingswerk wilde beginnen, had zij tot 1 mei 2018 alleen een zogenaamde solvabiliteitsverklaring nodig. Daarin verklaart het classicale college voor de behandeling van beheerszaken (CCBB) of en in welke mate de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen jegens de toekomstige predikant te voldoen. Indien men een predikant in deeltijd wilde beroepen, was daarvoor bovendien medewerking en goedvinden nodig van het breed moderamen (BM) van de classicale vergadering.

“Per 1 mei 2018 moeten vacante gemeenten die met het beroepingswerk willen beginnen, daarvoor vooraf toestemming vragen aan het breed moderamen van de classicale vergadering.”

Per 1 mei 2018 moeten vacante gemeenten die met het beroepingswerk willen beginnen, daarvoor vooraf toestemming vragen aan het breed moderamen van de classicale vergadering. Dit geldt voor alle gevallen, niet alleen voor een beroep in deeltijd. Daarnaast blijft het vragen van een solvabiliteitsverklaring van het CCBB verplicht. Een en ander staat te lezen in ord. 3-3-1.

De voornaamste taak van het breed moderamen is hier om te toetsen of de gemeente een predikant ‘in werktijd van voldoende omvang’ kan beroepen. De kerkorde laat aan het BM de ruimte om te beoordelen welke omvang in de betreffende gemeente voldoende is, waarbij een kerkordelijk minimum geldt van een derde van de volledige werktijd. Het BM heeft ook de bevoegdheid gekregen om in voorkomende gevallen te bezien of de vacante gemeente met een te geringe bezetting in samenwerking met andere gemeenten alsnog tot een voldoende omvang van de bezetting kan komen. De vacante gemeente moet eventueel aantonen ‘dat zij voldoende heeft gezocht naar samenwerking met andere gemeenten’.

De gedachte achter deze nieuwe classicale bevoegdheid is dat het BM en de classispredikant als makelaar kunnen optreden tussen verschillende vacante gemeenten met een kleine bezettingsgraad, zodat zij samen een predikant gaan beroepen. Ook kan het BM zijn invloed uitoefenen om kleine vacante gemeenten ertoe te brengen om de blik naar buiten te werpen. En grotere gemeenten, die een behoorlijke arbeidsplaats in stand kunnen houden, kunnen door het BM worden aangemoedigd om kleine gemeenten in de buurt met weinig draagkracht te hulp te schieten.

Gaat het werken?
De praktijk zal moeten uitwijzen of deze nieuwe bevoegdheid aantrekkelijker formatieplaatsen voor predikanten oplevert waardoor hun mobiliteit wordt bevorderd. Dit kan alleen slagen als iedereen bereid is ‘te bewegen’.

“Mobiliteit is niet alleen een aandachtspunt voor predikanten. Het is ook de verantwoordelijkheid van gemeenten om attent te zijn op mogelijkheden die zich aandienen om samen met andere gemeenten te zorgen voor aantrekkelijke formatieplaatsen.”

Mobiliteit is niet alleen een aandachtspunt voor predikanten. Het is ook de verantwoordelijkheid van gemeenten om attent te zijn op mogelijkheden die zich aandienen om samen met andere gemeenten te zorgen voor aantrekkelijke formatieplaatsen. Het gaat om mobiliteit van predikanten én om flexibiliteit van gemeenten.

Intussen zien de brede moderamina nu al kleine vacante gemeenten met 33% bezettingsgraad of minder, die in een predikantsvacature een kerkelijk werker aanstellen zonder dat zij tevoren bij het breed moderamen langsgaan. De redenering lijkt hier te zijn: wij beginnen niet met beroepingswerk van een predikant, dus hoeven we ook geen toestemming te vragen. Later hebben deze gemeenten het BM vaak toch weer nodig voor het verlenen van een preekconsent en/of de bevoegdheden als van de predikant. Dit wordt dan een ongemakkelijk gesprek voor beide partijen.

Dit kan niet de bedoeling zijn van de nieuwe regeling. Mijns inziens hoort elke gemeente die vacant raakt, bij het BM langs te gaan om te overleggen of en hoe de ontstane vacature kan worden vervuld. Het ambt van de academisch gevormde predikant is een gezichtsbepalende functie in onze kerk. In principe heeft elke gemeente een predikant nodig. Dat is de dragende visie van onze Protestantse Kerk. En die hebben we nog (lang?) niet opgegeven.

Wordt vervolgd
Er zijn of worden nog enkele andere maatregelen ingevoerd met het oog op mobiliteit en flexibiliteit. In een volgend artikel hopen we hierop terug te komen. Intussen kunt u hier alle basisinformatie over het beroepingswerk vinden.


Ds. Lieuwe Giethoorn

projectleider Kerk 2025

bron: protestantsekerk.nl

Mogen liefde en trouw je nooit verlaten, wind ze om je hals, schrijf ze in je hart.

Spr 3:1-12

Beleidsplan 2019 – 2025

Met twee bijlagen:
bijlage 1. financiën, personeel en gebouwen
bijlage 2. verwerking van de opmerkingen van gemeenteleden op het concept beleidsplan
Lees verder >