COLUMN

Gerrit Oud

Kerst is weer voorbij. Op naar Pasen! Hebt u al kaarten besteld voor de Matthäuspassion, Bachs meesterwerk? Wie kan zijn ogen droog houden bij het imposante slotkoor met zijn open einde in C‑klein? Vol symboliek en overheerst door de rustgevende zekerheid van de verlossing. Aan de ene kant in schril contrast met de verwarring die de polyfonie van het openingskoor uitstraalt, aan de andere kant vol verwijzingen naar datzelfde koor. Braütigam is de eerste titel die Jezus daar krijgt, ontleend aan het Bijbelboek Hooglied. Meteen gevolgd door de titel Lamm, twee maten later overgenomen door het jongenskoor met O Lamm Gottes unschuldig. Jezus is het lam Gods dat geslacht wordt en daardoor onze zonden draagt, de toon voor de theologie waarmee Bach zijn werk vult. De gemeente kan, als bruid van Jezus, het hoofd in de bijna hemelse vrede van het slotkoor rustig neerleggen op Grab und Leichenstein, nu door Jezus’ dood de verzoening tussen God en mensen tot stand is gebracht.

Bach schrijft de Matthäuspassion in de tijd van het opkomende piëtisme, waarin de vroomheid van het individu en diens innerlijke leven belangrijker werden dan de rechte leer van de lutherse orthodoxie. Dit brengt hij tot uiting in de solistische ariosi en aria’s waarin de zanger zich als gelovige identificeert met de figuur die hij vertolkt. De theologie echter wordt telkens bevestigd in de koralen, bestaande liederen die, afkomstig uit de reformatorische traditie, de band met de lutherse orthodoxie onderstrepen. Op deze wijze – evenals door vast te houden aan de precieze tekst van Luthers vertaling van het evangelie – komt Bach de conservatieve gemeente van Leipzig tegemoet.

De Matthäuspassion bestaat uit twee delen, die echter niet overeenkomen met de scheiding tussen Matt 26 en 27, de tekst van het lijdensverhaal. De opbouw moet theologisch verklaard worden. Het eerste deel, waarin Jezus zich nog tussen de zijnen bevindt, eindigt met zijn gevangenneming. In het tweede deel wordt hij temidden van de geestelijke en wereldlijke macht veroordeeld om vervolgens geheel alleen (door Bach zo mooi geïllustreerd door de violen die elders als een hemels aureool Jezus’ woorden omgeven, te laten zwijgen) te sterven. Het centrum van deel 1 wordt ingenomen door Jezus’ voorspelling van Petrus’ verloochening, ingebed door twee koralen, de verzen 5 en 6 van Gerhardts O Haupt voll Blut und Wunden. Ook Jezus’ veroordeling voor Pilatus in deel 2 wordt omkaderd door twee koralen, het eerste, vers 1 van Befiehl du deine Wege (op de melodie van Gerhardts O Haupt), het tweede de verzen 1 en 2 van Gerhardts O Haupt. Na Jezus’ laatste woorden en sterven volgt Gerhardts O Haupt nogmaals, nu met vers 9 dat door het ontbreken van een voorafgaande aria klinkt als een gebed. Het hierop volgende recitatief wordt als het ware opgetild door het credo Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen, waarbij alle uitvoerenden samen voor de hele mensheid staan. Theologisch valt deze driedeling eschatologisch te duiden: de zondige mens, verbeeld in Petrus’ verloochening, komt bij het Laatste Oordeel voor de troon van de Allerhoogste en vraagt de Middelaar om voor hem in te staan. Jezus als de Mittler, zoals Bach Hem ons voorstelt in het slotkoor van deel 1.

In de Matthäuspassion treden (naast een jongenskoor in deel 1) twee koren op met verschillende identiteit. Het libretto noemt koor 1 Tochter Zion, allegorie van de stad Jeruzalem, opgevoerd als ooggetuige. Koor 2 kent het libretto de naam Glaübigen toe, gelovigen van alle tijden, waar ook ter wereld. Koor 1 staat voor het hogere, het hemelse, en becommentarieert als het koor in een Griekse tragedie de handeling op verstandige, begripvolle wijze. Koor 2 staat voor het aardse, de mensen, die vol vragen zitten, vol twijfel, maar wel hun Bijbel kennen. Stellen de gelovigen in het openingskoor van deel 1 nog vragen (Wen? Wie? Was? Wohin?), in de openingsaria van deel 2 proberen zij de klagende alt te troosten met een tekst uit Hooglied. Ter afsluiting van Matt 26 zingt het koor het enige koraal dat onmiddellijk volgt op een aria: met Bin ich gleich von dir gewichen heeft de gelovige zicht op vergeving, mits hij zijn schuld belijdt. De woorden Angst und Pein uit dat koraal laat Bach als een echo terugkomen in het koraal na Jezus’ dood, Wenn ich einmal soll scheiden, waarin de gelovigen, zich identificerend met Jezus in al zijn eenzaamheid en lijden, hun twijfel nog niet te boven zijn. Pas in de arioso vlak voor het slotkoor lijken zij overtuigd, waarin hun Mein Jesu, gute Nacht! als litanie de laatste groet van de solisten aan het graf onderstreept. Een laatste groet die wordt ingekaderd door de begrippen Ruh en Seelenheil, woorden die terugkeren in het imposante slotkoor en die verklaren waarom de gelovigen Höchst vergnügt hun ogen kunnen sluiten.

Gerrit Oud, 20 januari 2017


Elias Gottlob Haußmann: Johann Sebastian Bach (1748)

Jezus zei tot zijn leerlingen: Geloof in het licht, dan bent u kinderen van het licht.

Joh 12:35-36

Geef ruimhartig aan Kerkbalans!

Actie Kerkbalans 2019 is gestart.
Er gebeurt veel moois in de kerk. Waardevolle gesprekken, inspirerende diensten en uiteenlopende activiteiten. Lees verder >